René

Mijn grote broer René verongelukte op knullige wijze toen een motorrijder zijn voorruit ramde. Mijn moeder, een harde tante, gaf geen krimp. Ze werd hooguit nóg chagrijniger, en stortte zich op haar werk op het directiesecretariaat van de melkfabriek. Mijn vader, een zachtgekookt ei, trok zich terug in zijn moestuin en zijn werk aan de vrachtwagens. In diezelfde melkfabriek. In mijn jeugd heb ik geen van beide ooit kunnen betrappen op iets dat leek op een uiting van verdriet. Of op iets dat leek op liefde voor hun levende kinderen. Jaren later ontmoette ik Geartsje, en kwam er op knullige wijze achter dat zij Renés vriendinnetje was ten tijde van het ongeval. Dankzij Geartsje ontdekte ik dat ik voor een kloon van René kon doorgaan. Hierdoor ontwikkelde ik enig mededogen met mijn ouders. Voor mijn moeder kwam dat te laat. Tussen mijn vader en mij is het wel nog goed gekomen. Maar over René praten lukt nog steeds niet echt. Breng ik hem ter sprake, dan zucht vader eens diep, en zegt, met lange tussenpozen: Ja. Het was zwaar. Maar anderzijds. Als hij daar levend was uit gekomen. En levenslang in een karretje zat. Misschien is het dan beter zó.


Archief

© 2018-2020 Udo Meiresonne