Désireetje

We waren veertien jaar. Désireetje was zo onopvallend dat zelfs haar onopvallendheid niemand opviel. Ik zag haar alleen wanneer in de klas de namen werden afgeroepen. Désireetje had geen vrienden, want ze was onzichtbaar. Op een zaterdagavond had ik een lekke band gekregen. Daarom nam ik de bus naar huis. Achterin zat Désireetje te wuiven. Ik zag haar, en ik zag me verplicht naast haar te gaan zitten. Samenzweerderig lispelde ze dat ze ladderzat was. Haar ogen straalden. Nu ja, haar ogen waren glazig, maar ik vond dat ze straalden. Désireetje had een halfvolle vierkante fles met gifgroene inhoud. Ze vroeg of ik ook wilde. Ze fluisterde, omdat ze half bewusteloos was. Samen dronken we de halve gifgroene fles leeg. Désireetje lag zwaar tegen mij aan. Ze wilde kussen. Ik hapte toe, hoewel haar adem een beetje zuur rook. Net voor we kusten begon Désireetje te kokhalzen. Ze kotste me onder met gifgroene kots. Een vrouw schreeuwde hysterisch, een kind huilde, een man vloekte. De bus stopte op een plek waar geen halte was. We werden eruit gezet. Désireetje zat nog drie jaar in mijn klas. Drie jaar zag ik haar elke dag. Drie jaar lang was ik de onzichtbare.


50 keer bekeken
Archief