Beugel

Ik was tien toen ik op bevel van de schooltandarts een beugel kreeg. Dat was lachen! Vooral mijn broer Antoine vond mijn beugel lollig. Hij noemde me spast, mongool en debiel. En Canadees. Maar waarschijnlijk bedoelde hij Chinees. Door die beugel kon ik niet meer normaal praten. Mijn moeder vond me kinderachtig. Volgens haar was ik alleen uit protest tegen de beugel begonnen met slissen. In 1975 waren beugels nog lang niet hip. Op de speelplaats degradeerde je in één klap tot de laagste rang. Samen met het meisje met het brilletje en het afgedekte oog, de jongen met de orthopedische schoen en de zes kinderen uit hetzelfde gezin die elk jaar als eerste luizen hadden. Je deed niet meer mee, met een beugel. Onlangs werden vijf aangespoelde zeehonden vrijgelaten. Drie van de vijf gingen er meteen samen vandoor. De vierde hobbelde er lusteloos achteraan, en zwom in zijn eentje weg in een andere richting. Dat was de albino. Pas toen ook de albino uit het zicht was, vertrok de vijfde zeehond. Wetenschappers hadden een gps bovenop zijn kop geschroefd. Dat waren natuurlijk wetenschappers die zelf nooit een beugel of een lui oog gehad hebben. Ze moesten levenslang luizen krijgen.


64 keer bekeken
Archief

© 2018-2020 Udo Meiresonne