Het is 13 januari 1966
- udomeiresonne

- 13 jan
- 3 minuten om te lezen
Er staat een meisje door het venster naar buiten te kijken. Dat meisje heet Alice, ze is negentien jaar, ze staat op de tweede verdieping en ze kijkt naar de sneeuw. Als het heeft gesneeuwd lijkt het alsof de wereld stilgevallen is, alsof iemand een wit deken overal over heeft gelegd en zegt: “stil maar, het verleden is voorbij, je kan alles vergeten”. Daar kijkt Alice naar, naar het verleden dat voorbij is. Af en toe kijkt ze om en glimlacht ze naar de toekomst die achter haar ligt, in een klein bedje met vier glazen wanden.
Bijna honderd kilometer verder, in de kazerne van Heverlee, maakt een jonge man zich klaar om te vertrekken. Hij heeft net een telegram gekregen. Hij neemt de bus. Aan het station van Leuven rent hij van de bushalte het station in, recht naar de muur waar de dienstregelingen hangen. Daarna loopt hij gehaast door naar het derde perron, waar hij nerveus gaat staan wachten op de trein naar Gent.
In Gent staat een meisje het verleden te bezweren. Maar het blijft aan haar trekken, het laat haar niet los. Het doodlopend straatje langs de spoorweg waar ze lang geleden onbekommerd speelde, het steegje waar ze woonde en waar ze in de late middag haar vader en haar zussen op de fiets zag thuiskomen toen ze van het werk naar huis kwamen.
Op de trein naar Gent zit een soldaatje naar een papiertje te staren. En het papiertje blijft altijd maar opnieuw dezelfde boodschap overbrengen: “kom snel – stop - het is een jongen – stop - kom snel – stop - het is een jongen – stop - kom snel – stop - het is een jongen – stop”. In het ritme van de trein. Zodra de trein stil staat in Gent, gooit hij de deur open en springt eraf. Dan rent hij, voor zover het gladde voetpad het toelaat, naar het huis van zijn beste kameraad. “Ik ben vader geworden!”, schreeuwt hij in de parlofoon. “Ik ben vader geworden!”, herhaalt hij als hij even later het appartement binnenstormt.
“Daar gaan we ene op drinken!”
“Nee nee, ik kom alleen maar mijn moto halen, ik wil er zo snel mogelijk naartoe”.
En hij vertrekt, op zijn oude Saroléa, … plofplofplof … plofplofplofplof … plofplofplofplof … over de besneeuwde straten van Gent.
Zestien jaar eerder. Voor een kind van drie jaar gebeuren de dingen gewoon omdat ze gebeuren. Een kind ziet geen oorzaak of gevolg. De kleine Alice gaf handjes aan grote mensen die woorden tegen haar zeiden die ze niet begreep. Naast haar stond haar vader, haar drie zussen en haar broer. Er werd geweend.
Bij Alice zelf zijn de tranen pas zeven jaar later gekomen. Toen stond ze terug op dat kerkhof handjes te schudden. Weer stonden haar vader, haar broer en haar zussen bij haar. En deze keer ook haar stiefzus en stiefbroer, waarvan ze op dat moment nog niet besefte ook zij uit haar leven zouden verdwijnen.
Het overlijden van haar stiefmoeder, zeven jaar na haar mama, was zout in een open wonde waarvan ze tot op dat moment niet wist dat ze die had.
Misschien denkt Alice daaraan, daar voor het venster in het moederhuis van Maria Middelares. Misschien ook niet. Het zou kunnen dat ze gewoon op de uitkijk staat, dat ze zich afvraagt wanneer Ivan zou komen.
Ik ben geboren op 13 januari 1966. Dat was de eerste keer dat ik in de materniteit van Maria Middelares kwam. Ik ben er in mijn kindertijd nog vier keer terug geweest: in januari 1967, in januari 1968, in mei 1969 en in september 1971. In 1971 was mijn moeder vijfentwintig jaar en had ze vijf zonen.
Wat er door haar hoofd ging toen ze in 1966 de eerste keer voor het raam van haar kamertje in Maria Middelares naar de sneeuw stond te kijken, zal ik nooit echt weten. Maar ik weet wel wat er gebeurde terwijl ze daar stond. Ze heeft het me zo vaak verteld dat ik het zo voor mijn ogen zie.
Eerst hoorde ze een bekend geluid… En dan zag ze de oude Saroléa, met daarop mijn vader, een ventje van eenentwintig jaar, in militair uniform, met een sjaal en een motorbril en twee gigantische schaapvellen wanten die zijn moeder nog voor hem had gemaakt, zijn laarzen over de sneeuw schuivend om die motorfiets in evenwicht te houden. Alsof gewoon recht blijven in die omstandigheden nog niet moeilijk genoeg was, had hij tussen zijn armen, op zijn benzinetank, een gigantische pot met witte bloemen.





Opmerkingen