Nachtwandeling

Met gesloten ogen kom ik naar beneden. De trap heeft geen leuning, er is alleen een muur aan de rechterkant. Links zit een donker gat, want het is nacht en het licht is uit. Ik verbeeld me dat ik zevenentachtig ben en blind. Ik ben alleen. Dat is geen inbeelding. Niemand zal me vinden, als ik val. Ik raak de muur niet aan, want mijn slaapdronken zevenentachtigjarige ik is niet meer helemaal zeker of hij links staat of rechts. Een misstap zou fataal zijn. Maar ik ben niet bang. Ik vraag me wel af hoe het zou gaan, als het fout zou gaan. Hoeveel minuten kan je overleven met een stel gebroken nekwervels? Hoelang moet pijn duren vooraleer het als pijn mag aangerekend worden? Kan je in pakweg vij

Franky

Al heel vroeg ontwikkelde ik een aversie tegen voetbal. Dit gevoel ontstond toen ik er achter kwam dat voetballers kunnen gekocht en verkocht worden. Mijn voetballende broer Antoine zag het probleem niet. Terwijl ik nachtmerries kreeg van het idee dat ik zomaar iemands eigendom zou kunnen worden, droomde Antoine van zijn eigen verkoop. Hij deelde die droom met mijn klasgenootje Franky. Franky was een aardige jongen, wiens enig talent voetballen was. In het zesde leerjaar schreef Franky zijn naam nog steeds met twee puntjes op de ypsilon. Frankij. Op zijn zestiende werd Antoine op een haar na gekocht door een middelgrote club. Maar de onderhandelingen zijn in extremis afgesprongen door Antoin

Willeke

Ik had één reden om naar Amsterdam te vertrekken. Ik moest vluchten voor Tine, omdat onze relatie tegen alle afspraken in verdacht veel op een relatie begon te lijken. En ik had één reden om daar twee jaar te blijven. In Amsterdam woonde Willeke. Willeke was in één woord: bloedmooi. In twee woorden: bloedmooi en een meter negentig. En in drie woorden: bloedmooi, een meter negentig en doodongelukkig. Joop vertrok elke maandag met een trucklading lege luciferdoosjes richting Italië. Hij kwam op vrijdagmiddag terug. Met een trucklading gevulde luciferdoosjes. Gedurende zijn afwezigheid hielp ik Willeke haar ongelukkig huwelijk te vergeten. Tot Joop een keer geen gevulde luciferdoosjes meebracht

Hespenworst

Al mijn grootouders zijn geboren voor de Eerste Wereldoorlog. Als kind kenden ze honger en angst. Toen ze zelf opgroeiende kinderen hadden, brak er weer oorlog uit. Weer waren ze bang en hongerig. Gelukkig werd daarna de welvaart ingevoerd. Ze hadden niets meer tekort. Wel kregen ze nu ziektes, veroorzaakt door de ontberingen uit hun kindertijd, door angst voor nieuwe oorlogen, of door vraatzucht. Ooit moet ik er vier gehad hebben, grootouders. De helft heb ik nooit gekend, omdat ze al aan hun kwalen bezweken waren. Mijn oma langs vaders kant leefde het langst, omdat ze dagelijks één likeurtje dronk en niet stil kon zitten. De vader van mijn moeder heette Peet. In de jaren vijftig ontdekte P

Archief

© 2018-2020 Udo Meiresonne