top of page

No money at all

Laten we maar meteen met de muziek in huis vallen. In 1989 nam Brendan Croker de schitterende oorwurm “No Money At All” op. Vandaag wordt dat nummer alleen nog door Bruno Deneckere gezongen, waarmee Bruno de zinsnede “When I am dead and gone, someone else will be singing this song” alle eer aandoet. Brendan Croker is in september overleden.


Begin dus maar met als de wiedeweerga “No money at all” te checken op YouTube, zodat we daarna aan het eten kunnen beginnen. In dit gerecht voor vier personen zitten overigens enkel ingrediënten die ik toevallig in huis heb. Het leven zoals het is, met no money at all.


Hiermee zal ik het doen:

• wat spaghetti (150g)

• een beetje tagliatelle (300g)

• een restje rijst (150g)

• 3 grote ajuinen die er nog niet al te erg aan toe zijn

• 1 bol look, waarvan de helft van de tenen al geamputeerd werden

• 2 verloren gewaande pakjes vegetarische wokreepjes

• 1 smoezelig bouillonblokje

• 2 zakjes met vermoedelijk sojasaus

• een verwaarloosd basilicumplantje

• een halve fles olijfolie


Uit praktische overwegingen trek ik me niets aan van houdbaarheidsdata. Ik vertrouw 100% op mijn visuele en olfactorische waarneming. Met andere woorden: alles wat er nog een beetje uitziet en niet al te hard stinkt, verklaar ik eetbaar.


Eerst gaat de rijst in een leeg waterglas, waarna ik gemakkelijk twee keer dezelfde hoeveelheid water kan afmeten. Het water laat ik koken, de rijst kap ik erin en het bouillonblokje mag mee. Ik kan niet meer achterhalen wat voor bouillon het is, maar dat maakt ook geen zak uit. Ik heb honger, en bouillon geeft smaak. Arm, maar lekker, zeg maar.


Omdat de rijst 30 minuten moet koken is er tijd genoeg om te aperitieven. Ik kies voor Elixir de Bruges, een goedkopere variant dan die uit Anvers. Ik drink er twee, want zoals mijn grootvader zaliger altijd zei: “Eentje is geentje”.


Onder invloed van de Elixir begin ik de spaghetti en de tagliatelle gezamenlijk te koken. Te laat merk ik dat mijn kookpot te klein is, de tagliatelle wil maar niet kopje onder gaan. Dit los ik simpel op door het deksel erop te zetten. Dat zal ze leren.


Ondertussen moeten ook de ajuinen en de look eraan geloven. Ik gebruik alle look, de hele halve bol. Wantrouw steeds de kok die beweert dat hij maar één teentje nodig heeft! Zoals mijn grootvader zaliger al wist: “Op één teen kan je niet staan”. De uien snijd ik nogal grof overlangs en de looktenen iets fijner overdwars. Samen gaan ze in een verhitte wok, alwaar ze in olijfolie liggen roer te bakken tot ze ervan glimmen. In een andere pan worden de vegetarische wokreepjes knapperig bruin in flink veel olie. Ik had ze liever gefrituurd, maar er is hier geen frituurpan.


Uiteindelijk gaat de pasta in de wok een gedwongen ménage à trois aan met de uien en de look, en wordt alles kunstig gearrangeerd op 4 platte borden. De vermoedelijke zakjes sojasaus zijn inderdaad sojasaus. Ik verdeel ze over de pasta en de wokreepjes. Omdat het oog er ook wel pap van lust, werk ik elk bord af met 2 basilicumblaadjes.


Onder het eten luisteren we naar “No money at all”, in de versie van Bruno Deneckere. Daarna rolt er vanzelf een hele fijne playlist uit de boxen. Straks wordt het toch nog een mooie avond.



61 weergaven
Archief
bottom of page