(On)trouw

Op een keer zat ik met De Vlerk in de Nicolaas en kwam er een bende meisjes binnen, met allemaal hetzelfde hoedje op. Een vrijgezellenavond. Lachen, dansen, zeveren, u kent het. Het meisje dat ging trouwen kwam naar ons. Of dat wij een condoom hadden voor haar. Een opdrachtje dat ze moest uitvoeren. Ik, doodserieus: “Het spijt me. Ik ga u niet kunnen helpen”. Zij naar De Vlerk: “Heb jij misschien een condoom voor mij?” Begon die Vlerk haar daar niet de les te spellen. Dat hij geen vertrouwen had in condooms. Dat hij tegen het concept was. En daarbij, dat hij sowieso tegen voorhuwelijkse betrekkingen was. Vierkant tegen zelfs. Omdat dat in strijd was met zijn geloof. Enzovoort, enzovoort. Hoe

Tegenpolen

We zaten in de auto. Mijn vader stuurde en rookte. Mijn moeder gaf aanwijzingen. “Rood!”, riep ze, en: “Fietser!”. Mijn vader zweeg en stuurde en rookte. Ik zei: “Bah, dat stinkt”. Mijn vader keek kort opzij naar mijn moeder, en hij zweeg en rookte en stuurde. Mijn moeder zei dat ze geen lessen te krijgen hadden van een snotter van twaalf. En meteen daarna: “Tegenligger!”. Mijn vader zuchtte, gooide nog een blik op mijn moeder en zweeg, rookte en stuurde verder. Ik zei dat ik niet begreep hoe iemand zo’n stinkende rotzooi kon roken. Mijn moeder keek naar mijn vader en zei: “Zeg jij ook eens wat!”. Mijn vader haalde zijn schouders op, keek naar mijn moeder, zuchtte, zweeg en rookte en stuurde

Archief

© 2018-2020 Udo Meiresonne